Op je veertiende worden merken belangrijk en gaat het gesprek thuis vanzelf over prijs. Precies daarom is dit een goed jaar voor een eigen kledingbudget: niet jij zegt nee, het budget zegt nee.

Voor een kind van 14 is € 30 tot € 40 per maand een werkbaar kleedgeld. Kleding en schoenen. Rond deze leeftijd worden merken belangrijk en gaat het gesprek vanzelf over prijs. Handig moment om uitverkoop en tweedehands te introduceren.
Wel: Kleding en schoenen.
Niet: Ondergoed, sokken, sportkleding en de winterjas.
Het bedrag en het pakket horen bij elkaar. Schuif je er meer onder, dan hoort het bedrag omhoog; houd je de winterjas erbuiten, dan mag het lager. De volledige ladder van twaalf tot achttien staat op de hoofdpagina over kleedgeld, samen met wat kleding volgens het Nibud gemiddeld kost.
Bijna alle ruzies over kleedgeld gaan niet over het bedrag maar over de grenzen: valt dit er nou onder of niet? Op de hoofdpagina staat een afsprakenblad van zeven regels dat je kunt afdrukken en samen invullen. Tien minuten werk, en daarna wijs je ernaar in plaats van erover te discussiëren.
Gaat het budget de eerste maanden mis, maak de periode dan korter in plaats van het bedrag hoger. Twee keer per maand hetzelfde totaal is voor veel tieners makkelijker te overzien dan één keer.
Kleedgeld groeit mee. Zo loopt de ladder rond deze leeftijd: 13 jaar 20 tot 30 euro, 14 jaar 30 tot 40 euro, 15 jaar 35 tot 50 euro en 16 jaar 45 tot 60 euro. Alles per maand.
Dertig tot veertig euro per maand, met kleding en schoenen samen in het budget. Dit is de leeftijd om uitverkoop en tweedehands ter sprake te brengen, want daar wordt het verschil gemaakt.
Laat het gebeuren en vul niet aan. Een maand met te weinig shirts leert meer over kiezen dan tien gesprekken erover. Blijf wel weg van ik zei het toch.
In de app oefent je kind dit zelf, in missies van een paar minuten. Gratis te beginnen, zonder reclame en zonder aankopen.
Download in de
App Store
Android en computer
Werkt gewoon in je browser